Witte wezens

De oude man probeerde zijn hoofd op te richten maar het lukte niet. Hij was te moe. Veel te moe. Hij wist dat hij ergens lag. Maar waar? Dat was een groot raadsel.  Hoe lang hij hier al lag wist hij ook niet. Een paar dagen? Vele jaren? De tijd was samengeklonterd tot een diepe oceaan en hij dobberde stuurloos op de deinende golven. Af en toe zag hij flarden van beelden uit een ver verleden: een mooi meisje in een trouwjurk, ze glimlachte naar hem. Twee kleine kinderen die op zijn schoot zaten. Een hond die aan zijn voeten lag. Maar ook al kwamen ze hem bekend voor, hij wist niet wie het meisje in de trouwjurk was, hij wist niet wie de kleine kinderen waren. Alleen de naam van de hond dook af en toe op uit de dikke mist die zijn hoofd vulde: Japie. Zijn eigen Japie.

Opstaan was iets dat hij na vele mislukte pogingen niet meer probeerde. Het was zinloos. Maar hij wilde niets liever dan opstaan en weglopen. Weg van deze schemerige, kille plek. Hij voelde zich nat, koud en diep ongelukkig. Een vertrouwde maar smerige stank hing om hem heen. Hij wilde weg. Hij wilde naar het meisje in de trouwjurk dat zo lief naar hem glimlachte.

Overal waar hij kon kijken zag hij grijze muren en een grijs plafond. Verder was er niets. De muren waren kaal. Het kleine beetje licht kwam van een klein lampje dat ergens achter hem hing. Het lampje zelf kon hij niet zien, maar het beetje licht dat het verspreide was  voldoende om de troosteloze omgeving te ontwaren.

Maar straks zouden de witte wezens komen! Wanneer ze zouden komen wist hij niet. Steeds als de kou en de nattigheid die hij voelde veranderde in pijn en de stank ondraaglijk werd, dan kwamen ze. Eerst zou er een zee van helder wit licht over de muren en het plafond stromen en op de golven van dat licht reden de witte wezens naar hem toe. Met hun komst zou alle ellende verdwijnen. Geen kou, geen nattigheid en geen stank meer. Totdat alles weer van voren af aan begon. Een eeuwigdurende cyclus van stank, nattigheid, kou en witte wezens.

Ineens was het heldere witte licht daar! Hij voelde de wind die de komst van de witte wezens aankondigde over hem heen strijken. Hij zag er twee naar hem toe komen. Hun gezichten, of iets wat daar op leek, waren vaag zichtbaar. Troostende handen betastten zijn lichaam en haalden de ellende bij hem weg. Hij tilde zijn eigen hand op en probeerde een van de witte wezens aan te raken, maar zoals altijd duwde het wezen zijn hand weg. Hij mocht hen niet aanraken. Waarom wist hij niet. Hij probeerde nog iets te zeggen maar de witte wezens waren alweer verdwenen, samen met het heldere licht. Langzaam verdwenen zijn gedachten weer in de mist. Hij hoopte dat hij het meisje in de trouwjurk weer zou zien. Haar glimlach was nog het enige mooie in zijn leven.

Janneke deed het licht uit en sloot de kamerdeur. Ze gooide de smerige luier in de container samen met de latex handschoentjes die ze aan had toen ze de oude man verschoonde. De tijd die ze daarvoor nodig had gehad noteerde ze op haar werkformulier. Tevreden constateerde ze dat ze bij deze bewoner veertig seconden sneller was geweest dan de tijd die daar officieel voor stond. Ze klopte zachtjes op de schouder van Ria, de stagiaire die haar vanmiddag vergezelde tijdens haar ronde. Als ze bij de volgende bewoner ook zo snel waren hadden ze voldoende tijd gewonnen om stiekem een extra sigaret te roken. Terwijl ze haar kar met spullen door de lange gang van verzorgingstehuis “Ochtendgloren” duwde moest Janneke ineens grinniken: als Ria de ontlasting van de oude man al vond stinken dan kon ze straks bij mevrouw Terphuis helemaal haar lol op.

2020© Peter Weijenberg

2020-01-12T11:10:42+00:00 vrijdag, 3 januari 2020|Categories: Verontrustende verhalen|Tags: |