DE LAATSTE HOOP

De drie ruimteschepen draaiden langzaam hun volmaakte rondjes rondom de planeet DLH aan de uiterste rand van het heelal. Het middelste ruimteschip – een perfecte kopie van de U.S.S. Enterprise uit Startrek, een nog immer populaire televisieserie uit het Gouden Millennium – deed tevens dienst als vergaderplaats voor de commandanten van de ruimteschepen. De vergaderzaal, die een sterke gelijkenis vertoonde met de werkkamer van de bioloog Charles Darwin, was gevuld met een bedrukte stemming, afkomstig van de drie commandanten die, gezeten in model Rietveld stoelen, zwijgend voor zich uit staarden. ‘Hoe lang duurt het nog voor we de eerste resultaten binnen krijgen?’ Commandant Frans Versluis lanceerde de vraag niet om een antwoord te krijgen maar om de drukkende stilte te verbreken.
‘Een half uur geleden antwoordde ik op die vraag dat het nog ongeveer een uur zou duren, dus als ik goed reken dan is het nu nog… eh… een kwartier?’ antwoordde Anwar Vicunu, algeheel commandant van de expeditie, met gespeelde ergernis in zijn stem terwijl hij Karina Tjernova, de derde commandant, glimlachend aankeek.
‘Sorry hoor… maar ik word bloednerveus van al dat wachten, ik voel me net een vis die…’ begon Frank, maar zijn betoog werd onderbroken door een indringend gefluit dat uit de hoek aan de andere kant van de kamer begon te klinken. Hij stond op en liep enthousiast naar een klein keukenblok waar een fluitketel op een vierpitsgasstel stond.
‘Iedereen zin in koffie?’ Hij wachtte het antwoord van de andere twee niet af maar pakte een vierkante, glazen pot met koffiebonen uit een van de kastjes, haalde er een flink hoeveelheid bonen uit en liet die rammelend in een handkoffiemolen vallen. Hij nam de koffiemolen mee naar zijn stoel, klemde het apparaat stevig tussen zijn knieën en begon aan de slinger te draaien. De knarsende geluiden van de koffiebonen die vermalen werden maakte het praten heel even onmogelijk, hetgeen door geen van de drie commandanten als hinderlijk werd ervaren. Frank hield op met malen en tuurde in de koffiemolen. Hij gromde tevreden, draaide nog eenmaal de slinger rond en haalde het kleine houten laatje met de gemalen koffie uit het apparaat. ‘Niks lekkerder dan verse koffie,’ zei hij en liep weer terug naar het keukenblok. Nadat Frank aandachtig had staan kijken hoe het kokende water uit de fluitketel zich een weg had gebaand door de gemalen koffie in het filter dat boven op de koffiekan stond, pakte hij drie koffiebekers die al gereed stonden op het aanrechtblad en schonk ze vol.
‘Sorry Karina, ik kan het maar niet onthouden,’ riep hij over zijn schouder, ‘één of twee klontjes?’
‘Twee graag, en een flinke scheut melk.’ Ze schudde iets te opvallend met haar lange geblondeerde haren.
‘Komt voor de bakker,’ antwoordde Frank joviaal. ‘Jij ook melk, Anwar?’
‘Nee, zwart graag, ik kan wel een fikse opkikker gebruiken.’

Nadat iedereen in stilte zijn koffie gedronken had zette Frank zijn lege beker met een harde klap op het kleine tafeltje naast zijn stoel neer. ‘En al vinden we hier op DLH geen leven dan is er toch nog niets aan de hand? Of wel soms?’
Anwar keek Frank vernietigend aan. ‘Doe toch niet zo achterlijk Frank! Natuurlijk zou dat een enorme ramp voor de mensheid zijn. Dan zijn we helemaal alleen in het heelal. Helemaal alleen! Alleen maar de mensheid, samen met de nog overgebleven dieren en planten die van de aarde afkomstig zijn. Verder niets.’
‘Ik denk toch dat Frank gelijk heeft,’ mengde Karina zich in het gesprek. ‘Ik kan zo gauw geen reden bedenken waarom het ontbreken van ander leven in het heelal zo’n enorme ramp voor ons zou zijn.’
‘Nou, ik wel!’ Anwar deed geen moeite om de ergernis in zijn stem te verbergen. Hij stond op en begon kleine rondjes door de kamer te lopen. ‘Denk nou eens goed na voor de verandering. Wanneer zijn er voor het laatst grote uitvindingen of ontdekkingen gedaan? Nou?’ Voordat iemand kon antwoordden ging hij verder. ‘In de laatste vijf eeuwen van het Tweede Millennium en de eerste twee eeuwen van het Derde Millennium, een betrekkelijk korte periode van pakweg zevenhonderd jaar. We noemen die periode niet voor niets Het Gouden Millennium. Vierhonderdduizend jaar zijn we nu verder en er is niets meer van belang gedaan. Het enige wat de mensheid in al die tijd heeft gepresteerd is de al gedane uitvindingen verbeterd en verfijnd totdat er niets meer te verbeteren of te verfijnen viel. Dat is alles! Niks dus. Helemaal niks.’
‘Noem de verovering van het heelal maar niks,’ onderbrak Frank hem. ‘Dat vind ik toch een knappe prestatie.’
Anwar knikte driftig met zijn hoofd. ‘Jawel, dat is ook niet niks, maar wat ik bedoel is dat we al vierhonderdduizend jaar op dezelfde manier leven met de dezelfde machines en hetzelfde levenspatroon.’
‘Wat is daar mis mee?’ vroeg Karina terwijl ze naar het keukenblok liep en de koffiekan pakte. ‘Er is toch geen oorlog meer, niemand hoeft honger te lijden… ik kan me een slechter leven voorstellen.’ Ze schonk de drie bekers vol met koffie.
Anwar bleef zijn rondjes lopen. ‘Neem nou eens die koffiebeker van je, Karina. Waar heb je die gekocht?’
Karina bekeek haar koffiebeker. Het was een witte beker met drie grote, rode, harten en I LOVE COFFEE erop gedrukt. ‘Bij de HEMA op Celliste Vier. Hoezo?’
Anwar lachte smalend. ‘De HEMA… een winkel afkomstig uit het Gouden Millennium. Zoals alles wat we hebben uit die tijd afkomstig is.’
Karina haalde haar schouders op. ‘Ik zal toch ergens koffiebekers moeten kopen, dus waarom niet bij de HEMA. Bij De Hypotheker verkopen ze echt geen koffiebekers hoor.’
Anwar bleef even stilstaan en wreef zuchtend met zijn handen door zijn ogen. ‘Laat maar, Karina… laat maar zitten.’ Anwar knipperde even met zijn ogen en staarde naar Frank die met een lepeltje de bodem van zijn koffiebeker leeg schraapte. ‘Frank, luister… jij bent een Nederlander, of niet soms?’
Frank knikte langzaam terwijl hij het lepeltje voor de laatste maal aflikte, waarna hij het in zijn beker liet vallen.
‘Hoeveel planeten telt het Nederlandse Rijk?’ vroeg Anwar.
Frank leunde achterover, legde zijn handen in zijn nek en kneep zijn ogen stevig dicht. ‘Eh… ik meen iets van twaalfduizend maar het kunnen er iets meer of minder zijn.’
‘En Nederland heeft nog steeds een koningshuis?’
‘Jazeker, koningin Beatrix-Maxima de Zevenentachtigste. Een leuk wijfie.’
Anwar zuchtte. ‘En India bestaat ook nog steeds. Meer dan honderdtwintigduizend planeten. Alles wordt nog centraal geregeerd vanuit de Aarde. Alles gaat nog zoals het altijd is gegaan. Geen nieuwe structuren in de samenleving. Geen afscheidingsbewegingen, geen nieuwe godsdiensten. Alleen maar voortborduren op oude thema’s.’
‘Maar wat heeft dat eigenlijk met het ontbreken van andere levensvormen in het heelal te maken,’ viel Frank hem in de rede. We hebben nieuwe, andere levensvormen nodig om te overleven, Frank. Besef je dat dan niet? Al vierhonderdduizend jaar staan we stil in onze ontwikkeling. Aan het eind van het Tweede Millennium bruiste het op aarde. Het bruiste van de nieuwe ontdekkingen en inzichten en vooral van hoop. Hoop op het genezen van kanker. Hoop op het doorgronden van het proces van ouder worden. Hoop om de vele ziekten door middel van genetica te kunnen uitroeien. Maar het mislukte. De wetenschappers waren heel dichtbij oplossingen maar het ging niet meer. Alles werd geprobeerd maar de laatste stukjes van al die puzzels werden maar niet gevonden en uiteindelijk gaf de mensheid de moed op. Vierhonderdduizend jaar verder, en we worden nog steeds minstens twee keer per jaar verkouden. In het Gouden millennium was de gemiddelde levensverwachting van de welvarendste mensen tussen de zeventig en tachtig jaar. Net zoveel als nu. Geen millimeter zijn we opgeschoten sinds die tijd.’
‘Maar we hebben toch de ruimte veroverd?’ Karina reageerde verbaasd op de felle woorden van Anwar.
‘Ja, dat hebben we,’ zei Anwar zachtjes. ‘De allerlaatste grote ontdekking in de geschiedenis van de mensheid waren de ruimtekrommingen die in de tweede eeuw van het Derde Millennium gevonden werden. Die maakten het ons mogelijk om in korte tijd het gehele heelal te doorkruisen met onze beperkte ruimtevaarttechniek. Anders waren we nooit verder dan ons eigen zonnestelsel gekomen. Met behulp van die ruimtekrommingen zijn we in staat om met een ruimteschip binnen vijf jaar van het ene eind van het heelal naar het andere eind te reizen. En wat hebben we gedaan? Alle planeten zijn bezocht, onderzocht, gekeurd en worden indien mogelijk bevolkt. Maar nergens hebben we zelfs maar het kleinste spoortje van leven gevonden. Dat is onze drijfveer geweest in de laatste honderdduizend jaar. Niet ieder mens is al afgestompt. Er zijn er nog meer die donders goed weten dat we nieuwe levensvormen nodig hebben om te overleven. We hebben nieuwe inzichten nodig. Inzichten die zo fundamenteel anders zijn dan de onze dat ze een nieuwe impuls aan het wetenschappelijk onderzoek kunnen geven. NASA heeft deze planeet niet voor niets DLH genoemd. De Laatste Hoop! Dit is de laatste planeet in het heelal die nog niet onderzocht is. Als hier ook geen leven is dan is het over en uit.’
‘Waarom over en uit?’ Frank klonk nog steeds verbaasd. ‘Er zijn nog miljoenen planeten die bewoonbaar zijn of bewoonbaar gemaakt kunnen worden en waar nog geen mens woont. Volgens mij kunnen we nog minstens miljoenen jaren verder voordat we alle bewoonbare planeten in het heelal gekoloniseerd hebben. En daarna kunnen we de rest bewoonbaar gaan máken.’
‘Ja’, zei Anwar, ‘dat kunnen we ook. Maar daar gaat het niet om. Het gaat erom dat de mens op een dood spoor is geraakt. Een spoor dat schijnbaar eindeloos doorloopt totdat we ineens onverwachts wél aan het eind komen en we met een rotklap tegen een muur aanlopen. We moeten nu al gaan werken aan een oplossing voordat we het eind van het spoor bereiken. Dringt het nu eindelijk tot je door?’
Frank haalde zijn schouders op. ‘Wie dan leeft, wie dan zorgt. Man, wat kan mij het schelen wat er over een paar miljoen jaar gaat gebeuren? Dan zullen onze nakomelingen echt wel een oplossing gevonden hebben.’ Frank zweeg even. ‘Jou interesseert het wel hè, Anwar, of niet soms?’
‘Ja, ik heb de mensheid lief. Wie nu leeft of wie over een miljoen jaar leeft… ik heb ze lief. Ik wil niet dat iemand straks wanhopig om zich heen kijkt, zoekend naar een oplossing die er niet is. Die oplossing moet nú gevonden worden en niet als het te laat is.’ Anwar liep naar Frank toe, pakte de leuningen van de stoel vast en boog zich voorover. Hij keek Frank indringend aan. ‘Stel, Frank, dat we geen spoor van leven vinden op deze planeet, iets dat zeer waarschijnlijk is. Wat ga jij dan doen?’
Frank keek even opzij naar Karina alsof hij hulp bij haar zocht maar Karina staarde aandachtig naar haar nagels en negeerde de smekende blik van Frank. ‘Eh… dan gaan we naar huis. Dan hebben we hier niets meer te zoeken in deze uithoek. Mijn broer heeft twee kaartjes kunnen regelen voor de wedstrijd van Ajax op de Aarde. Zaterdag spelen ze tegen Vitesse dus de puntjes liggen voor het oprapen.’
Anwar reageerde niet op Frank. Hij richtte zich tot Karina. ‘En jij, Karina, wat ga jij doen?’
Karina keek heel even naar Anwar maar verlegde haar aandacht weer naar haar nagels. ‘Vakantie, lekker twee weekjes niks doen’ was het korte antwoord.
‘Natuurlijk, vakantie. Waarom ook niet? Waarom zou iemand niet fijn met vakantie gaan?’
‘Hou daar mee op, Anwar,’ zei Frank terwijl hij opstond. ‘Het is niet eerlijk om je teleurstelling over het ontbreken van ander leven in het heelal op Karina en mij af te reageren.’
‘Niet eerlijk? Twee commandanten van een ruimteschip… als zelfs júllie al niet geïnteresseerd zijn in het lot van de mensheid, wie dan wel?’

‘Ik beveel je om er mee op te houden, Anwar,’ zei Frank. Hij stond vlak voor Anwar en voelde diens hijgende adem langs zijn wangen strijken.
Frank wilde nog wat zeggen maar Anwar reageerde als door een wesp gestoken op de drie piepjes die uit de centrale computer kwamen. Binnen twee seconden zat Anwar achter het toetsenbord en staarde hevig transpirerend naar het scherm dat plotseling gevuld was met reeksen getallen. Een hevig gevloek begeleidde de vuist van Anwar die met een formidabele klap het toetsenbord in twee stukken spleet. ‘Alle uitslagen van de sondes zijn negatief,’ zei hij toonloos. ‘Er is dus geen leven op DLH… geen ander leven in het heelal.’
Frank en Karina zwegen en staarden beiden naar Anwar die als een gebroken man naar het beeldscherm bleef staren. Karina liep naar Anwar toe en legde haar hand op zijn schouder. ‘Kom Anwar, onze missie is voorbij. We gaan naar huis.’
Anwar schudde zachtjes zijn met zijn hoofd. ‘Nee, het is nog niet voorbij,’ fluisterde hij tegen het beeldscherm. ‘Het is nog lang niet voorbij.’ Hij stond op van zijn stoel, de tranen dropen van zijn wangen af. ‘Kom even met me mee,’ zei hij.
‘Waar gaan we heen?’ vroeg Frank. Hij begon de situatie met Anwar vervelend te vinden.
‘We gaan naar de koepel.’ Zonder een antwoord van de anderen af te wachten liep Anwar de kamer uit.
Karina en Frank keken elkaar even besluiteloos aan. ‘Zullen we maar even gaan kijken of hij geen rare dingen gaat doen?’ vroeg Frank.
Karina knikte.

In een van de bovenste compartimenten van het ruimteschip, waar een grote doorzichtige koepel in de mantel was gebouwd vonden ze Anwar. Hij stond met zijn gezicht tegen de koepel aangedrukt en staarde naar de zwarte leegte voor hem. Hij draaide zijn hoofd om toen Frank en Karina achter hem kwamen staan.
‘Wat valt er hier te zien, Anwar?’ vroeg Frank.
Anwar wees naar de ene kant van de koepel. De kant waar het heelal begon en zich uitstrekte. Een immense zwarte zee vol drijvende lichtjes: sterren, nevels… de bewoonde planeten. ‘Kijk daar ligt het verleden en het heden. Daar hebben we niets meer te zoeken. Maar aan de andere kant…’
Frank en Karina volgden de arm van Anwar die uiteindelijk naar het eindeloos lijkende zwarte niets wees. De arm trilde een beetje. ‘Daar ligt de toekomst,’ zei Anwar.
Frank snoof diep. ‘Anwar, luister… ik weet dat je een teleurgesteld man bent, maar daarginds is niets. Hier, bij deze kleine zon met haar planeet DLH, houdt het heelal op. Aan de andere kant is niets anders dan duisternis. Verder is daar helemaal niets.’
‘Hoe kun je daar zo zeker van zijn, Frank?’ reageerde Anwar terwijl hij weer tegen de koepel aanleunde en naar de duisternis begon te staren. ‘Hoe kun je er zeker van zijn dat daarginds niets meer is?’
‘Wat zou daar moeten zijn?’ Frank klonk geërgerd. ‘Wou je daar soms gaan kijken?’ vroeg hij schamper.
Anwar bleef naar buiten staren. Het leek wel of hij de laatste opmerking van Frank niet gehoord had. Alsof hij nooit meer iets zou horen. Frank haalde zijn schouders op en liep weg. ‘Kom Karina, we gaan nog een bak koffie halen en dan gaan we naar onze eigen schepen. Terug naar huis.’
Karina aarzelde even. Ze wilde haar hand op de arm van Anwar leggen maar ze trok hem terug toen ze de vreemde blik in Anwars ogen zag. Vlug liep ze achter Frank aan. Terug naar de vergaderzaal. Terug naar de koffie. ‘Anwar meent het echt, denk je niet?’ vroeg Karina. Ze blies even in haar kop verse koffie. ‘Hij vindt het echt een ramp dat we hier geen ander leven hebben gevonden.’
Frank knikte. Hij staarde naar zijn koffiemok die voor hem op het bureau stond. ‘Ik denk dat een paar weken vakantie ook Anwar goed zouden doen. Hij heeft een beetje te hard gewerkt de laatste maanden.’ ‘De laatste járen zul je bedoelen,’ antwoordde Karina.
Frank wilde iets vervelends zeggen maar een zenuwachtig geklop op de deur deed hem opkijken. De deur ging langzaam open en het hoofd van Edward Burroughs, de eerste machinist, gluurde naar binnen. Twee grote, angstige ogen staarden naar Frank en Karina.
‘Ik… ik zoek commandant Vicunu.’
Frank haalde zijn schouders op. ‘Die staat voor het glas in de koepel in het duister te staren.’
Edward schudde zijn hoofd. ‘Nee, daar is hij niet. Hij reageert ook niet op mijn oproepen.’ Edwards tong flitste zenuwachtig langs zijn lippen.
‘Dan zal hij wel ergens rondlopen,’ zei Frank. ‘Ver weg kan hij niet zijn.’
Frank keek naar het steeds roder wordende hoofd van de eerste machinist. ‘Is er soms iets aan de hand?’
Edward aarzelde even. ‘Wel, een reddingsgondel is losgeslagen van het schip.’
‘Dan haal je de gondel toch naar binnen? Zo moeilijk kan dat toch niet zijn?’ verzuchtte Karina. ‘Daar heb je de commandant toch niet voor nodig?’
‘Eh… normaal gesproken niet, commandant Tjernova. Maar eh… de motor van de gondel is onverwachts gestart. De gondel is al honderden kilometers ver. Ik wilde van commandant Vicunu weten of we er achteraan moeten gaan of dat we de gondel als verloren moeten beschouwen.’
Frank en Karina keken elkaar even verbaasd aan.
‘De klootzak!’ gilde Frank. Hij sprong overeind en rende de kamer uit. Karina en Edward renden achter hem aan.
Bij de koepel drukte Frank zijn neus tegen het glas. Karina kwam hijgend naast hem staan. Vaag was in de verte een flakkerend lichtje te zien: de uitlaat van de reddingsgondel.
‘Kun je gondel oproepen?’ vroeg Frank.
‘Heb ik al een paar keer geprobeerd,’ antwoordde Edward. ‘Maar ik kreeg geen antwoord. Daarom ging ik er vanuit dat de gondel niet bemand was.’ Hij staarde even naar buiten. ‘Maar ik begrijp dat de kans aanwezig is dat commandant Vicunu in de gondel zit?’
‘Honderd procent zeker,’ mompelde Frank. ‘Maar… waarom?’
Frank keek even naar de verbijstering in de ogen van Edward en haalde zijn schouder op. ‘Onze speurtocht is ten einde maar Anwar wil schijnbaar nog verder zoeken.’
Ze bleven naar buiten staren tot het lichtje langzaam oploste in de duisternis. Frank draaide zich om en keek naar Karina die nog bedremmeld naar buiten staarde. Als hij haar vormloze uniform weg dacht was het best wel een lekker wijf. Hij boog zich voorover en bracht zijn mond vlakbij haar oor. ‘Zeg Karina,’ fluisterde hij. ‘Heb je soms zin om zaterdag mee te gaan naar het voetballen?’

2017 © Peter Weijenberg

2018-01-05T18:39:04+00:00 donderdag, 7 december 2017|Categories: Alle verhalen, Science Fiction verhalen|Tags: , , |